zondag 7 juli 2013

De torenklokken slaan…

Toen ik vanmorgen uit de kerk kwam, hoorde ik de kerkklokken van de Bonifatiuskerk slaan. De katholieke gelovigen werden opgeroepen naar de mis te gaan. Ik hoor de kerkklokken vaker. Niet vreemd, uiteraard. Want ik woon praktisch onder de Boni.
Terwijl ik de klokken hoorde slaan, dacht ik aan een liedje van Ernst Jansz. Hij zingt in ‘Een ogenblik in de wind’: “Als boven het vlakke land / de torenklokken slaan / in het oosten woedt er brand / alle doden tellen wij / hoe moet ik dan bestaan”.
Friesland als het vlakke land. Waar de torenklokken slaan. Terwijl in het oosten brand woedt. En wij alle doden tellen. Dit is geen poëzie meer. Dit is de harde werkelijkheid. Zo gaan wij moderne mensen met elkaar om.
In de kerk waar ik vanmorgen was, is gebeden voor Egypte. Het land van revolutie. In het Midden-Oosten. Waar sinds jaar en dag onrust heerst. In Egypte volgt revolutie op revolutie. De Egyptenaren zijn op weg naar een stabiele democratie. Maar die weg is nog lang. Zolang de rust elders is, volgen de doden elkaar op.
En wij tellen de doden. Hangen daar een waarde aan. De waarde van het nieuws. Hoe hoger het dodenaantal, hoe heftiger de revolutie, hoe belangrijker het is voor het Westen. Hetzelfde geldt voor Syrië, het land waar al ruim twee jaar een burgeroorlog woedt. Een status quo van de Arabische Lente. Pas wanneer wij de doden kunnen tellen, heeft de revolutie relevantie.
Idem voor de andere Arabische landen, waar in de afgelopen jaren een revolutie heeft gewoed. Als de omwentelingen formeel gezien zijn geregeld, heeft het voor ons westerlingen afgedaan. Maar hoe moeten wij bestaan met de wetenschap van de grote aantallen doden?
Ik citeerde de regels van Jansz in een verhaal dat ik schreef over de Dodenherdenking van dit jaar. De Dodenherdenking volgde ik bij het Joods Monument in Leeuwarden. Naast de Grote of Jacobijnerkerk. Waar de kerkklokken sloegen. En waar wij terugdachten aan de 500 Leeuwarder Joden, die tijdens de Holocaust zijn vermoord.
Waar de westenwind woont / en de bakens staan.
Alle doden tellen wij. Maar we leren er niets van. We zeggen bij elke massamoord: “Dit nooit meer.” Nee. Maar we doen het wel. Zolang het maar niet in onze eigen achtertuin gebeurt. Dan keuren wij het af, maar laten het voortwoekeren.
Wij zijn niet verantwoordelijk voor de staatsinrichting in het oosten. We ondersteunen wel de activiteiten die een land dwingen om een westers staatsmodel in te voeren. Maar ondertussen wassen wij onze handen in onschuld.
Hoe kan ik dan bestaan?
Ik weet het niet. Al deze ontwikkelingen stemmen me droef. Ik weet niet waar het allemaal eindigt. Ik weet zelfs niet of de immer durende revolte überhaupt eindigt. De kans is erg groot dat we altijd zullen doorgaan met het voeren van oorlogen. We horen van geruchten van oorlogen. Volken zullen opstaan. Gezinnen uiteen gereten.
Tot het moment dat er wordt ingegrepen.
Maar dat gebeurt dan wel van hogerhand.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen