vrijdag 1 juni 2012

De brief van Judas


De brief van de apostel Judas is voor mij een onbekende brief. Dat onbekende zal voor een deel te maken hebben met het feit, dat het een korte brief is. Vijfentwintig verzen telt Judas slechts, niet eens onderverdeeld in hoofdstukken. In die vijfentwintig zitten ook de aanhef en de afsluiting meegerekend.
Kort dus, en daarom staat het op het lijstje van Bijbelboeken die ooit nog eens besproken moeten worden. Je bent er snel doorheen, dus het doorlezen komt nog wel een keer. Het is als een bloemlezing: interessant, je moet het hebben, maar lezen is iets voor later.
Een andere reden voor het laten liggen van Judas zal de boodschap zijn. Het is niet eens de meest makkelijke brief uit het Nieuwe Testament. Overigens, dat geldt voor meer brieven. Maar toch, die Judas blijft een vreemde eend in de bijt. Vijfentwintig verzen vol met waarschuwingen.
Ik vrees dat die waarschuwingen ons toch te zwaar op de maag liggen. Liever een lange brief met hoop, dan een korte brief van een zwartgallige schrijver.

Goed, eerst maar even de feiten en statistieken over de brief en de auteur. Volgens de Willibrord-vertaling (de herziene editie uit 1995) is de auteur een broer van Jakobus en van Jezus. Hoewel dat ook maar weer de vraag is, want in dezelfde inleiding op de brief schrijft 'Willibrord': “Het lijdt geen twijfel dat Judas een pseudoniem is, een naam die in combinatie met die van Jakobus aan het geschrift het nodige gezag moet verlenen.”
Daar waar de auteur nog getraceerd is door 'Willibrord', is de geadresseerde een stuk onduidelijker. Aan wie de brief is geschreven, is onbekend. Wel is uit de brief op te maken, dat er bij de lezers een boel ketterij is gesetteld. En dat zo rond de eerste eeuwwisseling.
Judas is naar verluidt een Hellenistisch gevormde Jood. Dat schrijft ook Vincent de Haas in het vuistdikke 'De Bijbel Literair'. Judas zou de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament goed kennen, maar schrijft zijn eigen brief in 'hoogstaand Grieks. (…) Zo is hij een grensganger die de door hem ontvangen erfenis op een eigen manier verder ontwikkelt.' Kortom, de brief is een verrijking en aanvulling van de Griekse en Hebreeuwse wereld.

***

En dan de tekst, volgens de kenners heeft Judas Petrus geïnspireerd bij het schrijven van diens tweede brief. Ik weet niet of dat een probleem is. Als je allebei in eerste instantie een andere doelgroep hebt, is het overnemen van elkaars tekst niet erg.
Elkaars teksten lenen is een beproefd middel. In de New Yorkse wijk Greenwich Village namen folk-muzikanten elkaars teksten en melodieën over. De benadeelde partij vond dat soms wel vervelend, maar maakte zich zelf ook schuldig aan dit principe. Waarschijnlijk gaat dit voorbeeld niet helemaal op bij Judas en Petrus, maar toch.
Na de aanhef, begint dan de broodtekst. Een vreemd begin.
Geliefden, ik was volop bezig u te schrijven over de redding waaraan u en ik deelhebben, toen ik mij genoodzaakt zag u deze brief te sturen, met de aansporing van het geloof dat eens en voorgoed aan de heiligen werd overgeleverd, krachtig te verdedigen. (vers 3, Willibrord-vertaling).
Die brief over de redding, zou Judas die nog wel hebben afgemaakt? En als dat zo is, waar is die brief dan gebleven? Als die brief bekend was, waarom heeft Ireneus die tekst niet meegenomen, maar juist deze korte brief in de canon opgenomen?
Over de legitimiteit van Judas in de Nieuw Testamentische canon doen sowieso wat verschillende verhalen. Dat komt met name door de verwijzing naar een aantal joodse overleveringen. Zo verwijst Judas onder meer naar de woordenstrijd tussen aartsengel Michaël en de duivel. En Henoch wordt geciteerd, uit het zeer apocriefe boek 1 Henoch.
Desondanks, ook de onvolprezen heiden-apostel Paulus heeft regelmatig geciteerd uit niet-Bijbels werk. Dat Judas dat ook doet, is dus geen reden om hem de toegang tot de canon te weigeren.

***

Judas maakt zich druk over dwaalleraars. Het zijn wolven in schaapskleren, want die dwalenden zijn onderdeel van de gemeente. Als voorbeelden noemt Judas de 'schandvlek van uw liefdesmaaltijden', waarbij die mensen zichzelf tegoed doen. Toch is dit van alle tijden en alle plaatsen. Sommigen die uit Egypte bevrijd werden, weigerden te geloven. Ook engelen hebben hun waardigheid verloren. Als gevolg daarvan werden zij de hemel uit gezet. Naar verluidt zijn deze engelen de goden uit Genesis 6.
Zo uitgebreid Judas schrijft over de dwaalleraars, zo kort en bondig vermaant hij zijn lezers. Het publiek moet bouwen op het geloof en in Gods liefde blijven. Medelijden hebben met twijfelaars, anderen ontrukken aan het vuur, weer anderen medelijden gemengd met vrees en afschuw, 'want zelfs hun kleed is door de zonde bezoedeld'.

Net als zijn collega's, sluit Judas zijn brief op christelijke wijze af. “Lofprijzing van God” heeft Willibrord boven de laatste twee verzen gezet. Na zijn donderpreek sluit Judas af met dat God bij machte is om 'u voor struikelen te behoeden en u onberispelijk en vreugdevol voor zijn heerlijkheid te laten verschijnen.' Want zo is het ook nog een keer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen