vrijdag 8 juni 2012

De brief aan Filemon


In der Beschränkung zeigt sich der Meister. Toen ik slaagde voor de mavo, werd over mij gezegd dat ik mijn antwoorden altijd kort en bondig formuleerde. 'En dat voor iemand die misschien wel journalist wil worden,' werd door mijn mentor Henk Oostland nog vermeld, tegenover het publiek van geslaagde mavo-scholieren en hun ouders.
Als een verrassing kwam die opmerking niet. Al tijdens mijn carrière in Drachten hoorde ik mijn docente economie zeggen dat ik mijn antwoorden kort kon opschrijven. Blijkbaar hoef je niet gebruik te maken van een omhaal van woorden, om je punt te maken. Of desnoods om op te vallen.
De apostel Paulus daarentegen staat juist bekend om zijn vele woorden. Lange zinnen, waarin hijzelf van de hak op de tak lijkt te springen. Het beeld heerst dat Paulus aan het einde van een zin niet meer wist waar hij die zin mee was begonnen.

Des te verrassender is dat de brief aan Filemon een korte brief is, slechts vijfentwintig verzen. Daarmee net zo groot of klein als de brief van Judas. Maar volgens goed Bijbels principe is juist het kleine en onaanzienlijke van belang.
Mozes stuurde twaalf verspieders over de Jordaan. Tien van die verspieders hadden het vermoeden dat Kanaän niet te overwinnen was. De andere twee, Jozua en Kaleb, die wel bij name worden genoemd, zochten hun heil bij God.
Niet toevallig stuurt Jozua, als hij de leider van Israël is, opnieuw twee spionnen het Beloofde Land in. Na een korte nacht bij Rachab, vertellen die twee hetzelfde als Jozua en Kaleb veertig jaar eerder.
En wat betreft het onaanzienlijke: niet Isaï's sterke zonen werden door Samuël gezalfd tot koning. De jongste telg, die de schapen maar moest hoeden, die werd de opvolger van Saul. Gabriël komt bij een eenvoudig dienstmeisje binnen om haar te verwittigen dat zij de Messias' moeder wordt.
Je zou haast denken dat deze joods-christelijke religie leeft bij de gratie van de nietszeggende minderheid.

***

Laten we eens naar de brief zelf kijken. De afzender is Paulus, maar ook zijn knechtje Timotheüs. Het is de vraag in hoeverre Timotheüs een rol speelt, want even verderop zet Paulus zijn eigen handtekening onder de brief.
De eerste geadresseerde is Filemon, dan volgt Apfia, die waarschijnlijk Filemons vrouw is, en medestrijder Archippus, de zoon van Filemon en Apfia. Naar verluidt, want zeker weten doen de schrijvers van de Studiebijbel in Perspectief niet.
Timotheüs, Apfia, Archippus, namen die verder niet van belang lijken te zijn voor de brief. Paulus noemt ze voor de volledigheid wel. Wat van belang is, is Onesimus. Volgens de Nieuwe Bijbelvertaling wordt hij door Paulus zijn kind genoemd.
'Ik zou u om een gunst willen vragen voor Onesimus, die tijdens mijn gevangenschap mijn kind geworden is.' Daarmee staat die beste man op dezelfde voet als Timotheüs. De Willibrord-vertaling, in de geheel herziene versie van 1995, vertaalt dat vers overigens net wat anders. Volgens Willibrord is Onisemus niet de zoon van Paulus geworden, maar heeft Paulus hem zelf verwekt in de gevangenis.
Willibrord staat niet alleen met deze vertaling. De 'oude' Statenvertaling schrijft bij vers tien: 'Ik bid u dan voor mijn zoon, welken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus.' De Herziene Statenvertaling zegt dat Paulus zijn zoon Onesimus heeft voortgebracht toen hij in de boeien geslagen was. Pieter Oussoren vertaalde het zo in zijn Naardense Bijbel: 'mijn kind, dat ik in de boeien heb verwekt: Onesimus'.
Ik vind het opvallend, dat diverse vertalingen zeggen dat Paulus Onesimus heeft verwekt in de gevangenis. Paulus had geen vrouw, dus biologische kinderen had hij niet. En het is natuurlijk vreemd om een volwassen man als pas verwekt te beschouwen. Het lijkt me waarschijnlijker dat Paulus het hier heeft over de wedergeboorte van Onisemus. Maar toch, Jezus zegt duidelijk tegen Nicodemus dat de wedergeboorte niet een zaak is van het vleselijke gebeuren.

Gevangenis, Onisemus, twee woorden die met elkaar van doen hebben. Want Onesimus, over wie de brief van Paulus gaat, is een voormalige slaaf van Filemon. Wat precies de kwestie is, wordt niet duidelijk. Men gaat er vanuit dat Onesimus iets van Filemon gestolen heeft, en vervolgens naar Paulus is gegaan. Paulus als goede vriend van Filemon, zou voor de slaaf een goed woordje kunnen doen.
Ondertussen heeft Paulus Onesimus ook bekeerd. Filemon moet Onisemus dan ook als broeder zien, en niet als slaaf. De kaarten zijn immers opnieuw geschud.
Opmerkelijker dan de eigenlijke inhoud, vind ik de schrijfstijl van Paulus. Hij zet zichzelf aan het begin van de brief, ter inleiding op zijn verzoek, neer als een zielige oude gevangene. Je zou zijn komende verzoek alleen daarom al niet durven weigeren.
En dan die retoriek van Paulus. Die Onesimus is bijzonder nuttig geweest, “zowel voor u als voor mij”. Paulus stuurt hem terug naar Filemon, “dat wil zeggen mijn hart”. Paulus had Onisemus graag willen houden als plaatsvervangende verzorger van Filemon, maar je kunt niet alles hebben. “Uw goedheid moet niet afgedwongen maar spontaan zijn,” is Paulus' argument.
Verwelkom Onesimus alsof ik het zelf was, zegt Paulus, in alle bescheidenheid, zal ik maar denken. En wat betreft hetgeen Onesimus aan Filemon verschuldigd is: dat wordt verrekend met dat wat Filemon aan Paulus schuldig is. Dat strepen we weg, beste makker! Om dan te zeggen: 'Kom broeder, laat me een beetje van u profiteren – in de Heer dan!' haast Paulus erbij te zeggen.

Paulus zit gevangen, maar gaat ervan uit dat hij binnenkort weer op vrije voeten is. Want Filemon moet gelijk maar even een logeerkamer voor zijn leermeester klaarmaken.

***

Naar aanleiding van deze brief zijn er verschillende vraagstukken opgeworpen. Zou Paulus wel of niet voor de slavernij zijn? Hoe zag Paulus zijn status, was hij niet gewoon een narcistische en oude man? In ieder geval was Paulus iemand met gezag, en dat wist hij zelf ook.
Het belangrijkste uit deze brief is wel, dat Paulus het geloof van de liefde consequent heeft doorgevoerd. Geen verschil meer tussen slaven en vrijen, Joden en Grieken. We zijn allen hetzelfde, en zo moeten we elkaar ook behandelen. Doet denken aan de gulden regel uit de Bergrede: behandel de ander zoals uzelf behandelt wilt worden.
Ook als ongelovige zou je bijna een eenheid van de Bijbel gaan vermoeden.

ps. bij BNN loopt een presentator rond met dezelfde (voor)naam als deze geadresseerde. Toch heb ik het lichte vermoeden dat Filemon Wesselink weinig weet heeft van zijn Bijbelse naam. Je zou je toch schamen als je met zo'n naam het programma Spuiten & Slikken presenteert?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen