zondag 16 september 2012

Martin Bril – Leeuwarden


Als kind logeerde ik eens drie weken bij een oom en tante in Leeuwarden. Mijn ouders waren naar Amerika; een broer van mijn vader was vlak na de oorlog naar de Nieuwe Wereld geëmigreerd. Hij had een slagerij in Hoboken. Frank Sinatra kwam daarvandaan en die had het helemaal gemaakt. Dat was ook het plan van mijn oom, al zong hij niet.

Ik zal een jaar of zes zijn geweest, en het enige wat ik me van Leeuwarden herinner, is dat oom en tante in een flat woonden en dat ik in een opklapbed sliep, zo'n bed dat opgemaakt en wel tegen de muur kon worden geklapt, een soort klep. Opende je die klep, dan zaten er dikke elastieken om het beddengoed heen. Ik vond niets leuker dan 's ochtends, als ik wakker was, die elastieken om het bed en mezelf heen te gorden. Ik voelde me dan afwisselend een gevangene in het wilde Westen of een formule 1-coureur.

Jaren later kwam ik in Groningen wonen, als student. Af en toe ging ik met de trein naar Leeuwarden, want daar woonde een goede vriend van me. Hij zat op de sociale academie, maar wilde kunstenaar worden. Hij droeg altijd zwarte kleding, luisterde naar de sombere jazz van John Coltrane en was een fan van Joy Division. Hij bewoonde een kleine kamer midden in het uitgaansgebied van Leeuwarden, een steeg waar het naar pis, shoarma en patat stonk. In de weekenden was het een gekkenhuis daar: boeren en buitenlui die zich luidruchtig kwamen bezatten.

Wij bezochten met ons schaarse geld een Chinees waar we de enige klanten waren. Urenlang zaten we daar op één pijpje Heineken over de zin van het leven te bomen. Ik rookte Javaanse Jongens, shag, en hij Gitanes. Hij had iets van een dandy, mijn vriend. Hij stond ver boven het ruige Leeuwarden.

Daarna gingen we naar Vat 69, een beroemde discotheek. De meisjes dansten er met elkaar, de jongens hingen tegen de muren. De muziek was snoeihard en helemaal fout. Mijn vriend had niet de geringste behoefte zich aan te passen aan de omgeving. Hij keek hautain om zich heen, rookte zijn sigaretten alsof hij in een film aan het spelen was en maakte af en toe een opmerking over een voorbijdansend meisje. Hij boog zich dan naar mij toe en schreeuwde in mijn oor. Ik leunde tegen een betonnen paal en probeerde onzichtbaar te zijn.

Toen kreeg mijn vriend ruzie. Het hing in de lucht vanaf het moment dat we binnen waren. De kwestie ging nergens over natuurlijk, hij had iets te hard iets tegen mij geroepen dat werd opgevangen door een passerende boer met twaalf glazen bier op een dienblad. De jongen leverde zijn bestelling af bij zijn vrienden en kwam toen terug om mijn vriend een dreun op zijn neus te geven. Even later rolden mijn vriend en hij over de grond, en weer wat later lagen we op de keien van de Nieuwestad. Het regende en mijn vriend had een gebroken neus.

Tot zover mijn herinneringen aan Leeuwarden.



Uit: Martin Bril – Jongensjaren, Uitgeverij Promotheus, 2010

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen